Bristol-Myers Squibb Abilify

Het verhaal van Frans “Ik leef samen met”

“Frans is 16 en leeft met zijn moeder, vader en jongere zus in Amsterdam”.

Op jong leeftijd vond Frans school leuk. Hij kreeg snel vrienden en zat altijd bij de beste van de klas met zijn schoolwerk. Het afgelopen jaar kreeg Frans het steeds moeilijker, zowel op school als thuis. Eerst werd hij, net als veel van zijn tienervrienden, humeurig en trok hij zich terug. Hij bleef uren op zijn slaapkamer, sprak nog nauwelijks met zijn zus en gebruikte bij zijn ouders slechts enkele woorden en gebrom.

“Typisch gedrag voor tieners,” dacht zijn moeder terwijl ze wachtte tot deze fase voorbij zou gaan.

Frans begon heel veel moeite te krijgen om 's ochtends op te staan. Hij kwam soms te laat op school, waardoor hij problemen kreeg met zijn leraren. Hij vond dit erg onterecht. Het was immers niet zijn schuld dat hij laat was, dus waarom gaven de leraren hem de schuld?

“Ze hebben me nooit aardig gevonden. Ze zoeken een excuus om me van school te sturen,” vertelde hij één van zijn vrienden.

En eigenlijk, nu hij er over nadacht, vond hij dat niet alleen de leraren hem kwijt wilden. Frans merkte op dat sommige van zijn vrienden hem begonnen te ontlopen. Ze stopten met praten als hij erbij kwam staan en hij was ervan overtuigd dat ze achter zijn rug over hem spraken.

Frans begreep niet wat hij had misdaan dat iedereen hem zo behandelde. Hij voelde zich angstig en verward en had het idee dat hij niemand had die hij om hulp kon vragen. Frans ging steeds meer tijd alleen doorbrengen. Hij spijbelde en reed de hele dag met de metro door de stad.

De metro kon ook heel beangstigend zijn. Hij deed zijn uiterste best om niemand tot last te zijn, hield zijn hoofd omlaag en vermeed oogcontact. Hij had echter nog steeds het gevoel dat de andere reizigers naar hem keken, hem uitlachten en over hem spraken als hij voorbij liep.

Frans begon zich heel eenzaam te voelen. Als zelfs volledige vreemden tegen hem waren, waar kon hij dan in hemelsnaam heen voor hulp?

Op een dag zag Frans in de metro een poster van een telefonische hulpdienst die emotionele ondersteuning gaf aan mensen die wanhopig of eenzaam waren. Frans wist niet hoe een hulplijn kon voorkomen dat anderen over hem spraken, maar misschien hielp het om zijn angst te overwinnen. Zenuwachtig draaide hij het nummer.

De vrouw aan de andere kant van de lijn was erg aardig. Ze luisterde naar zijn verhaal en leek hem te geloven. Bovendien gaf ze goed advies. Zij vertelde hem dat hij moest gaan praten met iemand die hij vertrouwde en dat hij naar een dokter moest gaan.

Frans dacht hierover na. Misschien dat hij zich beter zou voelen als hij met zijn moeder zou gaan praten. Hoewel hij zich niet ziek voelde, zou de dokter hem misschien kunnen verlossen van zijn vermoeidheid.